HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:386

Medeplegen poging tot diefstal d.m.v. braak (art. 311.1 Sr). Strafmotivering. Kon hof ter motivering van opgelegde gevangenisstraf van 4 weken overwegen dat bij hof indruk beklijft dat verdachte naar Nederland is gekomen om in zijn onderhoud te voorzien op maatschappelijk ongewenste wijze? Keuze van factoren die voor strafoplegging van belang zijn te achten is voorbehouden aan feitenrechter. Het staat rechter vrij bij strafoplegging in aanmerking te nemen hetgeen in redelijkheid is te verwachten m.b.t. gedrag van verdachte (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BB6361). O.g.v. zijn indruk “dat verdachte naar Nederland is gekomen om in zijn onderhoud te voorzien op maatschappelijk ongewenste wijze”, welke indruk steunt op ontbreken van “solide aanknopingspunten voor gedachte dat verdachte (...) zich op bonafide wijze in Nederlandse samenleving probeert te bewegen” heeft hof (in afwijking van vonnis in e.a. en vordering van AG bij hof) onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. In die strafmotivering besloten liggend oordeel over gedrag van verdachte is niet z.m. begrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat verhandelde ttz. in h.b., zoals daarvan blijkt uit p-v van die tz. en uit stukken van het geding, waaronder uittreksel uit Justitiële Documentatie, onvoldoende aanknopingspunten bevat voor dat oordeel. Volgt partiële vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing. Samenhang met 20/00285.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken