HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6361
1. Strafmotivering. 2. Motivering verbeurdverklaring. Ad 1. Het staat de rechter vrij bij de strafoplegging in aanmerking te nemen hetgeen in redelijkheid is te verwachten m.b.t. het toekomstig gedrag van verdachte (HR LJN AC 9886). Nochtans is ’s Hofs oordeel dat het “in de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat verdachte zich later opnieuw met wapens en opiumwetdelicten zal inlaten” grond ziet voor de oplegging van een zwaardere straf dan door de AG bij het Hof gevorderd, niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, en voorts dat het verhandelde ttz. in appel onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat de door het Hof bedoelde recidive in redelijkheid te verwachten is. Ad 2. In aanmerking genomen dat is bewezenverklaard het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, is ‘s Hofs oordeel dat het in het middel bedoelde geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. die feiten is verkregen dan wel tot het begaan van die feiten zijn bestemd, zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl