HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701
Zonder vergunning een gewoonte maken van uitoefenen van bedrijf van betaaldienstverlener, art. 2:3a.1 Wft. Algemene beschouwingen over bewijs van “gewoonte”. Is sprake van maken van “gewoonte” van uitoefenen van bedrijf van betaaldienstverlener? Voor bewijs van “uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener” a.b.i. art. 2:3a. 2 Wft is vereist dat betreffende betaaldiensten niet slechts incidenteel worden verleend (vgl. HR:2020:1906). Het maken van een “gewoonte” fungeert soms als wettelijke strafverzwaringsgrond, in de vorm van een extra bestanddeel of als bijzondere strafbepaling. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een “gewoonte”, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan o.m. betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Daarbij geldt niet de eis dat wordt vastgesteld dat verdachte ‘de neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan het misdrijf (vgl. HR:2021:734), of dat die gedragingen zich met een bepaalde minimumfrequentie hebben voorgedaan. Het maken van een gewoonte van het misdrijf moet worden tlgd. en bewezenverklaard, wil daaraan het wettelijke strafverzwarende gevolg zijn verbonden. In tll. komt aan de term “gewoonte” voldoende feitelijke betekenis toe (vgl. HR:2015:1770). Als wordt bewezenverklaard dat verdachte van het plegen van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt, moet ook dit onderdeel van de bewezenverklaring uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid. Hof heeft vastgesteld dat in periode van 28-4-2015 tot en met 22-4- 2016 d.m.v. 162 stortingen in totaal € 895.000 is bijgeschreven op bankrekening van A h/o B en dat vervolgens kort na elke storting geld werd overgemaakt naar bedrijven C, D of E. Daarnaast zijn in periode van 21 tot en met 23 september 2015 contante geldbedragen van in totaal € 39.500 gestort op rekening die op naam van verdachte en/of B stond, waarbij soortgelijk bedrag d.m.v. verschillende overboekingen is overgemaakt aan C. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte deze transacties heeft verricht voor bedrijven die niet vanuit Soedan banktransacties kunnen doen naar Nederland. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat ertoe strekt dat verdachte niet alleen meer dan incidenteel betaaldiensten heeft verricht maar ook dat hij gelet op aantal transacties, tijdsbestek waarbinnen en frequentie waarmee deze werden verricht, een “gewoonte” heeft gemaakt van het “uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener”, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl