HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1398

Faillissementsfraude. Als bestuurder van failliet verklaarde rechtspersoon niet voldoen aan administratie- bewaar- en afgifteplicht, meermalen gepleegd (art. 343.4 (oud) Sr). 1. Kwalificatieklacht. Is sprake van “meermalen gepleegd”. 2. Verandering van wetgeving, verlaagd strafmaximum. Heeft hof verzuimd bij strafoplegging het t.g.v. verdachte gewijzigde sanctierecht toe te passen? 3. Motivering bijkomende straf van openbaarmaking van uitspraak. Kon hof overwegen dat “zeer recent (...) wederom faillissement is uitgesproken van B.V. waarbij verdachte was betrokken”, terwijl niet is vastgesteld dat verdachte in verband daarmee voor enig strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld? Ad 1. Uit bewijsvoering blijkt dat in periode van bijna 2 jaar meerdere voor bewezenverklaring relevante strafbare gedragingen van verdachte op uiteenliggende tijdstippen kunnen worden onderscheiden die delictsomschrijving zelfstandig vervullen. Gelet op een en ander getuigt ‘s hofs oordeel dat bewezenverklaarde meermalen is gepleegd niet van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Ad 2. Nu uit wettelijk kader blijkt dat regels van sanctierecht t.g.v. verdachte zijn veranderd t.a.v. de t.l.v. hem bewezenverklaarde gedragingen, die tot 1-7-2016 strafbaar waren o.g.v. art. 343 (oud) Sr en sindsdien o.g.v. art. 344a Sr, had hof het uit art. 344a Sr voortvloeiende mildere sanctieregime met strafmaximum van 4 jaren gevangenisstraf behoren toe te passen i.p.v. dat uit art. 343 (oud) Sr met strafmaximum van 6 jaren gevangenisstraf (vgl. HR:2011:BQ8193). Geen cassatie, nu verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van bestreden uitspraak op dit punt. Door hof opgelegde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van 10 maanden ligt immers ver onder strafmaximum van art. 344a Sr, terwijl uit strafmotivering naar voren komt dat hof bij bepalen van hoogte van straf is uitgegaan van concrete ernst van strafbaar feit en persoon van verdachte. Ad 3. Geen rechtsregel staat er aan in de weg staat dat rechter bij strafoplegging rekening houdt met zeer recent faillissement. Opvatting dat hof hiermee alleen rekening mocht houden als verdachte in verband daarmee voor enig strafbaar feit onherroepelijk zou zijn veroordeeld, miskent dat bij regels over het in strafoplegging betrekken van niet tlgd. feiten(zoals uiteengezet in HR:2017:239) wordt gedoeld op andere strafbare feiten en niet op overige omstandigheden die rechter van belang vindt voor strafoplegging, zoals betrokkenheid van verdachte bij (zeer recent) faillissement. Ook overigens is strafoplegging van bijkomende straf toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. kwalificatieklacht en verandering van wetgeving.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken