HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:80

N-o verklaring in h.b. omdat het te laat is ingesteld. Uit de stukken blijkt dat volstaan is met een aantekening mondeling vonnis a.b.i. art. 378a Sv (stempelvonnis), inhoudend o.m. dat het op 10-5-2017 op tegenspraak is gewezen. Een mededeling uitspraak van dat vonnis is op 2-10-2017 i.p. aan verdachte betekend. Namens verdachte is op 10-10-2017 h.b. ingesteld. HR stelt voorop dat in het geval de Rb. gelet op art. 378.2.c Sv heeft mogen afzien van het uitwerken van het p-v van de tz. in e.a., het Hof op zich zelf aan de inhoud van het stempelvonnis kan ontlenen dat het op tegenspraak is gewezen, behoudens wanneer door of namens verdachte bij de behandeling van de zaak in h.b. is aangevoerd dat en waarom de inhoud van dat stempelvonnis in strijd met de waarheid is (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BB2951) en/of wanneer uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de vermelding op het stempelvonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen niet juist is. Nu de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat het vonnis bij verstek is gewezen en het Hof heeft vastgesteld dat aan verdachte een mededeling uitspraak a.b.i. art. 366 Sv is uitgereikt, is ‘s Hofs oordeel dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de vermelding op het stempelvonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen, niet z.m. begrijpelijk. De n-o verklaring van verdachte in het h.b. is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken