HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:374
BTW-fraude door verkoop naar buitenland te fingeren. Schijnverkopen van prepaid telefoonkaarten aan beweerdelijk Belgisch bedrijf, terwijl dat verkopen aan verschillende in Nederland gevestigde afnemers bleken te zijn, ter zake waarvan bij aangifte van daarover verschuldigde BTW is uitgegaan van verlegging van BTW-heffing naar buitenlands bedrijf. Bewijsklacht opzettelijk een bij belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (art. 69.2 AWR), door te laag bedrag aan omzetbelasting op te geven aan Belastingdienst. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:3432 (waarbij deze zaak naar hof is verwezen), dat - ook al noopt artikel 69.2 AWR daartoe niet - ingeval niet alleen tlgd. is dat onjuiste of onvolledige aangiften zijn gedaan, maar dat in die aangiften een te laag belastbaar bedrag is opgegeven, tlgd feit slechts kan worden bewezen indien vaststaat dat het werkelijk in aanmerking te nemen bedrag hoger is. O.g.v. dat verwijzingsarrest diende hof nader te beoordelen hoe bewezenverklaring van een in de aangiften vermeld te laag bedrag aan in aanmerking te nemen belasting, zich verhoudt tot het aan onherroepelijk oordeel van belastingrechter ontleende verweer dat het in vooraftrek brengen van de door verdachte betaalde omzetbelasting in overeenstemming was met een destijds geldende Resolutie van Staatssecretaris van Financiën en het daarop gebaseerde beleid van Inspecteur. Hof heeft, gelet op onherroepelijk oordeel van belastingrechter (ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1714), terecht tot uitgangspunt genomen dat verkoop van multi-purpose telefoonkaarten volgens destijds geldende regelgeving was vrijgesteld van omzetbelasting. Daaruit volgt dat verdachte over deze verkoop - los van het antwoord op de vraag of een deel van de door verdachte verkochte telefoonkaarten inderdaad bestemd was voor in België gevestigde koper - geen omzetbelasting in rekening behoefde te brengen. Daarvan uitgaande kunnen door hof vastgestelde feiten oordeel dat in in bewezenverklaring bedoelde aangiften een te laag bedrag aan in aanmerking te nemen belasting is vermeld, niet dragen. De vaststelling dat in aangiften t.z.v. (ander) deel van de door verdachte verkochte telefoonkaarten wel een bedrag aan af te dragen omzetbelasting is vermeld volstaat daartoe immers niet, ook niet in samenhang met de omstandigheid dat door verdachte over de inkoop van telefoonkaarten betaalde omzetbelasting in zijn aangiften in vooraftrek is gebracht. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af door verdachte vrij te spreken. Samenhang met 17/00924. Vervolg op ECLI:NL:HR:2012:BT7076 en ECLI:NL:HR:2015:3432.
De uitspraak op rechtspraak.nl