Hof 's-Hertogenbosch 2 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1714

Belanghebbende handelde in door verschillende providers uitgegeven prepaid telefoonkaarten. Volgens haar administratie verkocht belanghebbende een groot deel van de door haar ingekochte kaarten aan een in Antwerpen gevestigde onderneming. Het Hof bevestigt allereerst het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin werd beslist dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de telefoonkaarten zijn verkocht en geleverd naar België. Vervolgens oordeelt het Hof dat de betreffende telefoonkaarten als waardepapier als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel i, onder 2 van de Wet OB 1968 moeten worden aangemerkt. De levering van de telefoonkaarten is derhalve vrijgesteld van omzetbelasting, zodat de leverancier ten onrechte omzetbelasting in rekening heeft gebracht. Deze omzetbelasting mag naar het oordeel van het Hof niet door belanghebbende in aftrek worden gebracht op grond van de resolutie van 23 april 1968, nr. 286-289. De volgende vraag waarop het Hof een antwoord moet geven is de vraag of de inspecteur via een beroep op interne compensatie mag naheffen. Deze vraag wordt door het Hof bevestigend beantwoord. Tenslotte komt de vraag aan de orde of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd met een beroep op het gelijkheidsbeginsel respectievelijk het vertrouwensbeginsel. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Gelet op het feit dat er sprake was van een omvangrijke , landelijk voorkomende handelwijze had het op de weg van de ( leiding van de) belastingdienst gelegen om een landelijk onderzoek in te stellen. Het hoger beroep is gegrond, de naheffingsaanslagen worden vernietigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen