HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1752
Vervolgingsuitlevering o.b.v. EUV van opgeëiste persoon (Amerikaanse nationaliteit) aan Russische Federatie t.z.v. illegale uitvoer van 3.453 marterstaarten. Eis van dubbele strafbaarheid, art. 2.1 EUV. Is feit waarvoor uitlevering is verzocht strafbaar krachtens Nederlandse wettelijke bepaling waarvan overtreding wordt bedreigd met vrijheidsstraf van ten minste 1 jaar? Art. 3.37.1 en 3.38.1 Wet natuurbescherming en art. 10.2 Adw. Rb heeft geoordeeld dat feit waarvoor uitlevering is verzocht naar Nederlands recht opzettelijke overtreding van voorschrift, gesteld krachtens art. 3.37.1 Wet natuurbescherming oplevert. In aanmerking genomen dat het o.g.v. art. 3.37.1 Wet natuurbescherming jo. art. 3.14.a Regeling natuurbescherming uitsluitend verboden is specimens van soorten die zijn vermeld in bijlage A, B of C van CITES-basisverordening zonder uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat uit te voeren onderscheidenlijk uitsluitend is toegestaan specimens van soorten die zijn vermeld in bijlage D van die verordening in Gemeenschap binnen te brengen, indien nodige controles zijn verricht en vooraf in douanekantoor aan de grens waar specimens worden binnengebracht kennisgeving van invoer is gedaan, is oordeel Rb niet begrijpelijk, omdat Rb niet heeft vastgesteld van welke martersoort of -soorten de marterstaarten die bij opgeëiste persoon zijn aangetroffen, afkomstig zijn en door Russische autoriteiten overgelegde stukken eveneens zonder nadere specificatie inhouden dat het gaat om marterstaarten. HR zal, met vernietiging van uitspraak van Rb, o.g.v. art. 31.8 Uitleveringswet doen wat Rb had behoren te doen en gevraagde uitlevering ontoelaatbaar verklaren. Gelet op wijze waarop feit waarvoor uitlevering is verzocht in door Russische autoriteiten overgelegde stukken is omschreven (en waarin niet is gespecificeerd van welke martersoort(en) de marterstaarten afkomstig zijn) levert dat feit immers naar Nederlands recht niet op misdrijf van opzettelijke overtreding van voorschrift gesteld krachtens art. 3.37.1 Wet natuurbescherming. Hetzelfde geldt voor misdrijf van opzettelijke overtreding van voorschrift gesteld bij of krachtens art. 3.38.1 Wet natuurbescherming, terwijl feit zoals omschreven ook niet in enige andere wetsbepaling waarvan overtreding wordt bedreigd met vrijheidsstraf van ten minste een jaar strafbaar is gesteld. Daarbij neemt HR in aanmerking dat overtreding van art. 10.2 Adw enkel wordt bedreigd met geldboete van derde categorie. Aan verdragsvereiste inzake dubbele strafbaarheid is dus gelet op voornoemde stukken niet voldaan. HR verklaart verzochte uitlevering ontoelaatbaar en gelast beëindiging van de t.z.v. uitleveringsverzoek bevolen vrijheidsbeneming van opgeëiste persoon.
De uitspraak op rechtspraak.nl