HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:564
Eenvoudige belediging gezinshuis en hulpverleners die betrokken waren bij opvang van verdachtes kinderen, die onder toezicht waren gesteld en uit huis waren geplaatst (art. 266.1 Sr). Klachtvereiste, art. 66.1 en 269 Sr en 164.1 Sv. OM n-o in vervolging t.z.v. gezinshuis op de grond dat bijzondere schriftelijke volmacht van gezinshuis om klacht te doen a.b.i. art. 164.1 Sv ontbreekt? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:1198 m.b.t. klachtvereiste van art. 269 Sr en strekking van art. 164 Sv en uit ECLI:NL:HR:2018:2242 m.b.t. klachttermijn. Hof heeft o.g.v. aangifte van A en nadien afgelegde verklaring van directeur van gezinshuis vastgesteld dat A t.t.v. aangifte mede namens gezinshuis handelde en dat toen bedoeling van gezinshuis bestond dat vervolging tegen verdachte zou worden ingesteld. Hof heeft voorts geoordeeld dat enkele omstandigheid dat A toen niet was voorzien van bijzondere schriftelijke volmacht van gezinshuis a.b.i. art. 164.1 Sv niet in de weg staat aan vervolging van verdachte voor smaad dan wel eenvoudige belediging van gezinshuis zoals tlgd. Dat oordeel getuigt gelet op hetgeen is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:1198.
De uitspraak op rechtspraak.nl