HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:148
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag (€ 7.560,-) onder klager t.z.v. strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. Rb heeft klager n-o verklaard in zijn beklag op de grond dat klager afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen geldbedrag. Heeft klager op rechtsgeldige wijze afstand gedaan a.b.i. art. 116.2 Sv? Art. 116.2 Sv stelt de eis dat de verklaring waarmee beslagene afstand doet van inbeslaggenomen voorwerp schriftelijk en t.o.v. RC, OvJ of opsporingsambtenaar wordt afgelegd. Naast deze eis geldt dat de afstandsverklaring slechts rechtsgevolgen heeft als zij kan worden opgevat als de openbaring van de wil van beslagene tot het doen van afstand van het inbeslaggenomen voorwerp (vgl. art. 3:33 BW). Hiervan is in de regel slechts sprake indien kan worden aangenomen dat (i) beslagene bekend was met de door hem prijsgegeven aanspraken en (ii) uit de verklaringen en gedragingen van beslagene de op dit prijsgeven betrekking hebbende wil voldoende duidelijk blijkt. Rb heeft geoordeeld dat het voor klager voldoende duidelijk was dat hij afstand deed van het geldbedrag op het moment dat hij de afstandsverklaring ondertekende en dat hij zijn wil tot het doen van afstand in vrijheid heeft kunnen bepalen. Op grond daarvan heeft de Rb geoordeeld dat de door klager - t.o.v. opsporingsambtenaar - ondertekende afstandsverklaring m.b.t. inbeslaggenomen geldbedrag rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing in cassatie leent oordeel Rb zich niet, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard. Volgt verwerping. CAG (anders): oordeel Rb dat vrijwillig afstand is gedaan is niet z.m. begrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl