HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1059
Medeplegen smaadschrift door samen met ander op openbare plaatsen posters te plakken met tekst “Bouwbedrijf A, uw duurzame partner in deportaties bouwt vol trots de gezinsgevangenis voor vluchtelingen op kamp Zeist, Kampzeist.nl”, art. 261.2 Sr. Beroep op recht op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3583 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting en de vraag of een uitlating strafbaar is wegens smaadschrift ex art. 261.2 Sr. Hof heeft verweer van verdachte dat haar handelen valt onder haar toekomend recht op vrijheid van meningsuiting niet z.m. begrijpelijk verworpen in het licht van hetgeen is vooropgesteld en door verdediging is aangevoerd. HR neemt daarbij i.h.b. in aanmerking dat Hof heeft vastgesteld dat bouwbedrijf A in opdracht van de overheid na openbare aanbesteding ter uitvoering van - bekritiseerd - overheidsbeleid inzake uitzetten van vluchtelingen gesloten gezinsvoorziening in Detentiecentrum Zeist heeft gebouwd, dat dit aanleiding vormde voor bewezenverklaarde uitlatingen waarmee verdachte beoogde te protesteren tegen dat overheidsbeleid en dat verdachte aldus deelnam aan publiek debat. Aan gebruik van woorden “deportaties” en “Kamp Zeist” heeft Hof, mede i.v.m. omstandigheid dat uitingen in het licht van art. 10 EVRM een zekere mate van overdrijving of provocatie mogen bevatten, niet zonder nadere motivering kunnen ontlenen dat daardoor uitlating onnodig grievend is jegens bouwbedrijf A, dat rekening moest houden met publiek geuit ongenoegen. Onder deze omstandigheden is ’s Hofs oordeel dat veroordeling van verdachte voor als beledigend in de zin van art. 261.2 Sr aangemerkte uitlating geen strijd oplevert met in art. 10 EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl