HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:908

Profijtontneming. Klacht dat het Hof de schatting van het w.v.v. ten onrechte heeft doen steunen op b.m. waarvan de inhoud niet in het door het Hof bevestigde vonnis is opgenomen. Ex art. 367 Sv vindt op het rechtsgeding voor de politierechter onder meer titel IIIb van Boek IV Sv, die de art. 511b-511i Sv bevat overeenkomstige toepassing. Dit brengt mee dat, indien het mondeling vonnis van de politierechter n.a.v. een vordering tot ontneming van w.v.v. moet worden aangetekend in het p-v der tz., zulks o.g.v. art. 378.2 Sv geschiedt op de wijze door de Minister van J&V te bepalen zoals is neergelegd in de Regeling aantekening mondeling vonnis (Stcrt. 1996, 197) (hierna: de Regeling). HR verwijst naar art. 1.a Regeling m.b.t. de gegevens die de aantekening dient te bevatten. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2016:2026 m.b.t. art. 423.1 Sv en de bevestiging van een mondeling vonnis. HR herhaalt voorts de relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BV9087, i.h.b. dat de uitspraak de b.m. moet vermelden waaraan de schatting van het w.v.v. is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, v.zv. bevattende de voor die schatting redengevende f&o. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat door betrokkene het bedrag waarop het w.v.v. is geschat, is betwist en door de raadsman in verband daarmee afwijzing van de vordering is bepleit, had het Hof het vonnis van de Politierechter niet mogen bevestigen dan onder de in art. 423.1 Sv bedoelde aanvulling van gronden. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/05494.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken