HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:905
Schadevergoedingsmaatregel, art. 36f.1 Sr. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat onder het toegekende bedrag aan schadevergoeding de kosten betreffende “aanwezigheid bij rechtszaak” moet worden begrepen. Deze kosten heeft de b.p. kennelijk gemaakt in het kader van de voegingsprocedure en worden in het voegingsformulier niet aangemerkt als schade die rechtstreeks het gevolg is van het strafbare feit. Deze kosten zijn aan te merken als kosten a.b.i. art. 592a Sv die niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f.1 Sr voorziene maatregel (vgl. ECLI:NL:HR:2017:653). HR vermindert het bedrag van de opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat evenals het aantal dagen van de vervangende hechtenis.
De uitspraak op rechtspraak.nl