HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:381

Opzettelijk handelen i.s.m. een in art. 3.B Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen, art. 3 jo. 11.5 Opiumwet. Het middel behelst de klacht dat het bestanddeel "een grote hoeveelheid van de middelen" niet is tenlastegelegd en bewezenverklaard. Het Hof heeft klaarblijkelijk de tll. aldus verstaan dat daarin de in art. 11.5 Opiumwet genoemde strafverzwarende - in art. 1.2 Opiumwetbesluit nader gedefinieerde - omstandigheid dat "het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen" genoegzaam is omschreven doordat daarin is vermeld "een hoeveelheid van ongeveer 4600 gram hennep en een hoeveelheid van ongeveer 3109 gram hasjiesj". Die met de bewoordingen van de tll. niet strijdige uitleg moet in cassatie worden geëerbiedigd. Aldus ligt in de tll. en bewezenverklaring besloten dat het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen. De kwalificatie vindt derhalve haar grondslag in het bewezenverklaarde. Daarop stuit het middel af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen