HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368

Recht op rechtsbijstand bij politieverhoor voor niet-aangehouden verdachte. Art. 27c.2, art. 27c.5 en art. 359a Sv. Op grond van art. 27c.2 Sv dient de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling te worden gedaan van het, in art. 28.1 Sv gewaarborgde, recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Indien dat voorschrift niet is nageleefd, levert dat in beginsel een vormverzuim op a.b.i. art. 359a Sv. Met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces i.d.z.v. art. 6 EVRM geldt dat zo een vormverzuim, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de ter gelegenheid van het verhoor afgelegde verklaring, tenzij de verdachte door het achterwege blijven van de desbetreffende mededeling niet in zijn verdediging is geschaad. Het Hof had ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of verdachte, overeenkomstig art. 27c.2 Sv, mededeling is gedaan van zijn recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het eerste verhoor. Nu het Hof dat heeft nagelaten, is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen