HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2023

Profijtontneming, w.v.v. (€ 1.763.856,-) uit soortgelijk strafbaar feit a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr na veroordeling t.z.v. deelneming aan criminele organisatie die zich bezighield met invoer heroïne. Ondervragingsrecht geschonden nu verdediging niet in staat is geweest getuige A te ondervragen? Op ontnemingsprocedure is art. 6.1 EVRM van toepassing (vgl. EHRM 41087/98 (Phillips/VK)). In die procedure moet derhalve zijn gewaarborgd dat aan verdedigingsrechten van betrokkene wordt tegemoet gekomen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1015 m.b.t. het recht van de verdediging in de strafprocedure om o.g.v. art. 6.3.d EVRM getuigen op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen en uit ECLI:NL:HR:2010:BK3424 m.b.t. verschil in karakter tussen straf- en ontnemingsprocedure. Gelet op karakter van ontnemingsprocedure zijn uit de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie (EHRM ECLI:CE:ECHR:2012:0710JUD002935306) voortvloeiende regels niet onverkort van toepassing in ontnemingsprocedure (vgl. ECLI:NL:HR:2015:898). Die regels hebben echter wel betekenis indien en v.zv. een in het verband van ontnemingsprocedure te nemen beslissing inhoudt dat betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan. Hof heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat door betrokkene "bedreigingen en intimidaties" zijn begaan die een soortgelijk strafbaar feit a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr vormen, en dat door die bedreigingen en intimidaties A is gedwongen tot het afstaan van appartementen in aanbouw, waardoor betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Hof heeft die aanwijzingen ontleend aan verklaringen van A en in dat verband vastgesteld dat verdediging A zowel mondeling als schriftelijk daadwerkelijk vragen heeft kunnen stellen en ook heeft gesteld. ‘s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van getuige niet heeft ontbroken en dat verklaringen van A, zonder schending van aan betrokkene o.g.v. art. 6 EVRM toekomende verdedigingsrechten, kunnen worden betrokken bij vaststelling van een door betrokkene begaan soortgelijk strafbaar feit a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr en de schatting van het door betrokkene w.v.v., getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2003:AH9922 (strafzaak).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken