HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:679
Ondervragingsrecht getuigen: niet alle door of namens de verdediging gestelde vragen zijn door de getuige beantwoord. De klacht, dat de verdediging niet, althans onvoldoende in de gelegenheid is geweest om X, Y en Z als getuige te ondervragen berust op de opvatting dat slechts dan van "an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness" sprake is, indien alle door of namens de verdediging gestelde vragen zijn beantwoord door de getuige. Die opvatting is niet juist. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de enkele omstandigheid "dat de herinneringen van de bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen aan de voorvallen zijn vervaagd", niet eraan afdoet dat de getuigen X, Y en Z in aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord en dat de verdediging daarbij een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gekregen om vragen te stellen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Samenhang met 15/01747 en 15/01748.
De uitspraak op rechtspraak.nl