HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1882

Belaging van pleegouders van zijn zoon, art. 285b.1 Sr. Proeftijd, bijzondere voorwaarden. Is de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin (belastende) informatie over aangevers en hun pleeggezin toelaatbaar? Art. 14c.2.5 (oud) en 14c.2.14 Sr en art. 10 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1968:AB6079 m.b.t. bijzondere voorwaarden die het gedrag van veroordeelde betreffen ex art. 14c.2.5 (oud) en 14c.2.14 Sr. Hof heeft bij het opleggen van de bijzondere voorwaarden kennelijk voor ogen gehad dat verdachte volgens normen van maatschappelijke betamelijkheid is gehouden zich niet langer te begeven in de persoonlijke levenssfeer van aangevers en hun pleeggezin en dat hij zich bijgevolg minstens gedurende de proeftijd o.m. dient te onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin (belastende) informatie over aangevers en hun pleeggezin. Die voorwaarde moet aldus worden verstaan dat zij ertoe strekt verdachte te weerhouden van het wederom plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin negatieve informatie over de aangevers in hun hoedanigheid van pleegouders, ook als zulks geen strafbaar feit oplevert. Deze voorwaarde betreft mitsdien het gedrag waartoe verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid tegenover de rechtstreeks bij het gepleegde misdrijf betrokkenen gehouden moet worden geacht en is dus een voorwaarde betreffende het gedrag van verdachte a.b.i. art. 14c.2 Sr. In aanmerking genomen dat de in art. 14c.2 Sr voorkomende termen 'andere (bijzondere) voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende' t.t.v. de bewezenverklaarde gedragingen in de rechtspraak van HR reeds nader waren gedefinieerd, biedt die bepaling een voldoende toegankelijke en voorzienbare grondslag voor een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting als vervat in art. 10 EVRM. In aanmerking genomen dat de in het middel bedoelde gedragsvoorwaarde slechts inhoudt dat verdachte zich dient te onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van negatieve berichten in de media betreffende aangevers in hun hoedanigheid van pleegouders, brengt zij geen andere beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting mede dan die welke Hof klaarblijkelijk nodig heeft geacht - en ook nodig heeft kunnen achten - ter voorkoming van strafbare handelingen en ter bescherming van de rechten van anderen. De met voormelde voorwaarde gepaard gaande beperking van art. 10 EVRM voldoet daarom aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken