HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1683

Bedrieglijke bankbreuk, art. 344a en 341 (oud) Sr. Strafmotivering. Verandering in regels van sanctierecht, art. 1.2 Sr. Regels van sanctierecht zijn ten gunste van verdachte veranderd en Hof had het uit art. 344a Sr voortvloeiende mildere sanctieregime met een strafmaximum van vier jaren gevangenisstraf behoren toe te passen i.p.v. art. 341 (oud) Sr met een strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BQ8193). Gelet op het hier toepasselijke lagere strafmaximum van art. 344a Sr en ‘s Hofs overweging dat het bij de strafoplegging "[heeft] gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum", heeft het Hof, dat ten onrechte art. 341 (oud) Sr had toegepast, bij de strafmotivering een onjuist strafmaximum tot uitgangspunt genomen. De strafoplegging is daardoor ontoereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG (anders): Verdachte heeft onvoldoende belang bij cassatie wegens schending van art. 1.2 Sr.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken