HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:112
Zware mishandeling met voorbedachten rade begaan tegen kind de dood ten gevolge hebbende, poging tot zware mishandeling begaan tegen kind en mishandeling begaan tegen kind (meermalen gepleegd), art. 300, 302, 303 en 304 Sr. Stiefvader slaat, na eerdere mishandelingen, zijn verstandelijk beperkte 20-jarige stiefdochter dood door haar langdurig met een knuppel of stoelpoot te bewerken. 1. Uitleg “een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin” a.b.i. art. 304.1 Sr. 2. Begrijpelijkheid strafoplegging (gevangenisstraf van 18 jaar en TBS met bevel tot verpleging van overheidswege). Ad. 1. HR overweegt o.g.v. wetsgeschiedenis dat onder "een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin" a.b.i. 304.1 Sr niet een meerderjarig kind wordt verstaan. Nu de leeftijd van het slachtoffer t.t.v. de bewezenverklaarde feiten 20 jaar bedroeg, geeft ‘s Hofs oordeel dat verdachte de bewezenverklaarde mishandelingen telkens heeft begaan tegen "een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin" a.b.i. art. 304 Sr, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen bij beoordeling begrijpelijkheid strafoplegging wordt overwogen, leidt dit verzuim niet tot cassatie. Ad. 2. Hof heeft o.g.v. ernst van bewezenverklaarde feiten geoordeeld dat andere kwalificatie dan Rb (moord) geen invloed heeft op hoogte van op te leggen straf en daarom evenals Rb een gevangenisstraf van 18 jaar opgelegd. Hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte meermalen gedurende een langere periode grof en heftig geweld heeft uitgeoefend tegen het - i.v.m. haar verstandelijke beperking mede van zijn zorg afhankelijke - slachtoffer en dat deze mishandelingen de dood van het jonge en kwetsbare slachtoffer hebben veroorzaakt. Mede in aanmerking genomen dat de opgelegde gevangenisstraf korter is dan de maximale straf die het Hof kon opleggen voor de bewezenverklaarde feiten, ook als geen rekening wordt gehouden met de ten onrechte aangenomen strafverzwarende omstandigheid van art. 304.1 Sr geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Oordeel is ook niet onbegrijpelijk, nu het het Hof vrijstond - ook zonder toepassing te kunnen geven aan deze bepaling - bij de strafoplegging te betrekken de bijzondere verantwoordelijkheid van verdachte jegens het slachtoffer i.v.m. voornoemde afhankelijkheid van de zorg van o.m. verdachte. Volgt verwerping. CAG (n.a.v. middel over art. 304.1 Sr): Verbeterde lezing van bewezenverklaring en kwalificaties en schrapping van art. 304 Sr uit opgave toepasselijk wettelijke voorschriften in arrest.
De uitspraak op rechtspraak.nl