HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:885
1. Vordering b.p. verhoogd na requisitoir e.a. Art. 51g.1 en 51g.3 Sv, art. 311.1 Sv. 2. Toegewezen bedrag vordering b.p. hoger dan bedrag in bewezenverklaring. Ad 1. Uit art. 51g Sv volgt niet dat de tijdig in e.a. gevoegde b.p. de opgevoerde schadeposten gedurende de behandeling ttz. in e.a. niet meer mag wijzigen nadat de OvJ in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig art. 311 Sv het woord te voeren. Wel brengen de beginselen van een behoorlijke procesorde mee dat, in zo’n geval de procespartijen - als de aard en de omvang van die wijziging daartoe aanleiding geven - de mogelijkheid wordt geboden zich daaromtrent te beraden en een standpunt te bepalen. Ad 2. De opvatting dat de verdachte tot geen hogere schadevergoeding is gehouden dan tot het bedrag dat hij zich door het bewezenverklaarde misdrijf wederrechtelijk heeft toegeëigend, is in haar algemeenheid onjuist. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de b.p. geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:959). Het Hof heeft o.m. geoordeeld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering, in verband waarmee het heeft overwogen dat verdachte een bedrag van € 29.700,- heeft overgeschreven van de bankrekening van de b.p. naar de bankrekening van zijn eigen bedrijf. Oordeel Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl