HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542
Medeplegen van valsheid in geschrift door een bezwaarschrift tegen aanslag inkomstenbelasting valselijk op te maken, art. 225.1 Sr. 1. Bezwaarschrift tegen aanslag inkomstenbelasting bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen? 2. Fiscaal pleitbaar standpunt. Ad 1. Verdachte heeft namens X een bezwaarschrift ingediend waarin voor de motivering wordt verwezen naar het daarbij gevoegde aangiftebiljet waarvan de inhoud als bewijsmiddel is opgenomen. Daarin ligt als ’s Hofs vaststelling besloten dat dit aangiftebiljet de gronden tot uitdrukking brengt waarop het bezwaar steunt en daarmee als onderdeel van het bezwaarschrift heeft te gelden. Het bezwaarschrift behelst het verzoek aan de inspecteur de aan X opgelegde aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2007 te heroverwegen, in die zin dat deze aanslag tot nihil wordt verminderd omdat X in 2007 geen looninkomsten heeft genoten. Het Hof heeft blijkens de bewezenverklaring geoordeeld dat dit bezwaarschrift aldus bestemd is om tot het bewijs van de omvang van die looninkomsten te dienen. Dat oordeel is echter onjuist omdat aan een tegen een belastingaanslag gericht bezwaarschrift als zodanig, v.zv. dat bezwaarschrift ertoe strekt het bedrag van de aanslag tot een bepaald bedrag te verminderen, in het maatschappelijk verkeer niet een zodanige betekenis voor het bewijs van de inhoud ervan pleegt te worden toegekend dat daaraan een bewijsbestemming in de zin van art. 225 Sr toekomt. De HR spreekt verdachte vrij van het onder 2 tlgd. Ad 2. Het middel dat zich o.m. richt tegen 's Hofs verwerping van het verweer dat sprake is van een zogenoemd fiscaal pleitbaar standpunt, behoeft geen behandeling. HR wijst ten overvloede op ECLI:NL:HR:2017:638 (arrest belastingkamer), dat e.e.a. inhoudt omtrent een fiscaal pleitbaar standpunt dat betrekking heeft op een belastingaangifte a.b.i. de AWR. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl