Hof 's-Hertogenbosch 4 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2740
Fiscale fraudezaak. Het hof is van oordeel dat de zaak - ondanks dat er geen grieven zijn opgegeven - ambtshalve dient te worden onderzocht, nu sprake is van een evident onjuist vonnis. Het is rechtens niet mogelijk om na afloop van de gestelde termijn tot het doen van een aangifte inkomstenbelasting zulks alsnog te doen, terwijl de politierechter de verdachte daartoe wel heeft verplicht. Daarnaast kan hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd niet bewezen worden verklaard, aangezien hem op de tenlastegelegde datum (nog) geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De verdachte kan slechts een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt na afloop van de door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn voor het alsnog doen van de aangifte inkomstenbelasting over 2015, te weten vanaf 12 augustus 2016. De tenlastegelegde datum ligt echter in het tijdsbestek dat daarvoor is gelegen. Mitsdien volgt vrijspraak van het op of omstreeks 1 mei 2016 niet, dan wel niet binnen de door de inspecteur der rijksbelastingen gestelde termijn, doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2015. Zie ook Hof 's-Hertogenbosch 11 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3311 en Hof 's-Hertogenbosch 11 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:421.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 11 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:421
- Hof 's-Hertogenbosch 11 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3311
- HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542
- HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675
- HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333
- HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268
- HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416
- HR 15 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2492