HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1504

Feitelijk leiding geven aan opzettelijk (namens BV) onjuiste aangiften omzetbelasting doen (art. 69 AWR). Bewijsklacht opzet. Fiscaal pleitbaar standpunt dat bij verkoop pakket geen omzetbelasting verschuldigd was? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:2542 m.b.t. fiscaal pleitbaar standpunt dat betrekking heeft op belastingaangifte a.b.i. AWR. Door hof is overwogen dat BV reeds o.g.v. art. 37 Wet OB omzetbelasting had moeten aangeven en voldoen. Art. 37 Wet OB bepaalt dat degene die op enigerlei wijze melding maakt van omzetbelasting welke hij, anders dan o.g.v. dit art, niet verschuldigd is geworden, die belasting verschuldigd wordt op tijdstip waarop hij die factuur uitreikt en deze belasting op aangifte moet voldoen. Deze bepaling moet worden uitgelegd ex art. 203 van de Btw-richtlijn 2006. O.g.v. art. 203 van Btw-richtlijn 2006 is btw verschuldigd door eenieder die deze belasting op factuur vermeldt. In dit verband moet onder ‘factuur’ worden verstaan elk bescheid waarin van ander betaling wordt gevorderd. Belastingplichtige die met dergelijk bescheid ten onrechte betaling van een als ‘btw’ aangeduid bedrag opeist van ander (niet zijnde particulier-eindgebruiker), wordt dit bedrag dus ex art. 37 Wet OB verschuldigd (vgl. ECLI:NL:HR:2016:356). Hof heeft vastgesteld dat naast akte van levering van pakket ook aparte nota van afrekening is opgemaakt door notaris waarin levering nauwkeurig is omschreven en waarin verkoopprijzen en bedrag van verschuldigde omzetbelasting zijn vermeld, dat betaling aan BV o.b.v. deze nota van afrekening is verricht, dat bij dergelijke verkooptransacties door BV nooit aparte verkoopfactuur werd opgemaakt en uitgereikt en dat deze nota van afrekening, welke door bestuurder van BV voor akkoord werd ondertekend, bij BV derhalve plaats heeft ingenomen van ‘eigen’ verkoopfactuur. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, geeft ‘s hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat nota van afrekening daarmee is aan te merken als ‘een factuur’ a.b.i. art. 37 Wet OB, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. ‘s Hofs hieruit voortvloeiende oordeel dat niet kan worden gezegd dat B.V. t.t.v. doen van haar aangifte (naar objectieve maatstaven gemeten) redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangifte, ondanks het niet daarin opnemen van de aldus door haar in rekening gebrachte omzetbelasting, toch juist was, is evenmin onjuist of onbegrijpelijk. Deze grond, waarop hof zijn oordeel dat verdachte zich niet op pleitbaar standpunt kan beroepen heeft gebaseerd, draagt dat oordeel zelfstandig. Volgt verwerping. Samenhang met 19/01128 en voor fiscale procedure ECLI:NL:HR:2020:1278 en ECLI:NL:HR:2018:2260. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken