HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:7
Militaire zaak. Het begrip “goed” in art. 326 Sr. Het bewegen van de leidinggevende tot het verlenen van toestemming voor het opnemen van verlof. De HR geeft algemene overwegingen over het begrip “goed”. HR: Het kennelijke oordeel van het Hof dat een aan een dienstbetrekking ontleend recht op 'verlof' zonder meer kan worden aangemerkt als "goed" i.d.z.v. art. 326 Sr, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat dergelijk verlof, naar het Hof heeft vastgesteld, op geld waardeerbaar is en een bepaalde waarde vertegenwoordigt, is niet toereikend voor zijn oordeel dat zulk verlof kan worden aangemerkt als een "goed" . Opmerking verdient dat de tll. niet een duidelijke keuze bevat m.b.t. de verweten delictsgedraging(en) en niet goed aansluit bij de delictsomschrijving van art. 326 Sr en dat de gang van zaken kenmerken vertoont van gedrag dat in art. 326 Sr strafbaar is gesteld doch niet in de vorm van het bewegen tot “afgifte van enig goed”, en van valsheid in geschrifte. Conclusie AG uitgebreid over art. 326 Sr.
De uitspraak op rechtspraak.nl