HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6575

1. Het begrip ‘goed’ in art. 310 Sr. 2. Salduz-verweer. Ad 1. De Hoge Raad geeft a.h.v. eigen rechtspraak algemene overwegingen over het begrip ‘goed’. Het Hof heeft de in de tenlastelegging gebruikte termen belminuten en sms-berichten klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk verstaan in de economische betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt toegekend, te weten als gebruikseenheid om de daarmee aangeduide vormen van telecommunicatiedienstverlening te kunnen kwantificeren en in rekening te kunnen brengen. Gelet hierop en in aanmerking genomen de functie die belminuten en sms-berichten in deze economische betekenis in het maatschappelijk verkeer vervullen, geeft het oordeel van het Hof dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de aan een ander toebehorende belminuten en sms-berichten zich heeft toegeëigend en dat belminuten en sms-berichten beide kunnen worden aangemerkt als goed i.d.z.v. art. 310 Sr geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Opmerking ten overvloede: de door het Hof vastgestelde gang van zaken vertoont ook kenmerken van het gedrag dat strafbaar is gesteld in art. 326c Sr (vgl. HR LJN AF3372 en HR LJN AS4663). Ad 2. Gelet op het oordeel van het Hof dat de verklaring die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd, moet worden uitgesloten van het bewijs is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom die verklaring niettemin is gebruikt voor het bewijs.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen