HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3259
1. Medeplegen. 2. Vorderingen b.p.’s, wettelijke rente. Ad 1. Verdachte heeft onvoldoende rechtens te respecteren belang bij zijn klacht dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij heeft gehandeld tezamen en in vereniging met een ander. Naast het wettelijk strafmaximum, dat niet mede wordt bepaald door het antwoord op de vraag of het feit in vereniging wordt gepleegd, en de door het Hof opgelegde straf en de motivering daarvan, neemt de HR daarbij in aanmerking dat in cassatie onbestreden is dat het verdachte is geweest die de daadwerkelijke uitvoeringshandelingen van het onder 2 bewezenverklaarde heeft verricht, alsmede dat verdachte het wapen en de munitie zoals onder 3 bewezenverklaard voorhanden heeft gehad. Ad 2. Nu niet blijkt dat de b.p.’s vergoeding van wettelijke rente hebben gevorderd heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA4262). HR vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend v.zv. het Hof heeft beslist dat wettelijke rente vergoed moet worden over de toegewezen bedragen van de vorderingen van de b.p.’s en verwerpt het beroep voor het overige.
De uitspraak op rechtspraak.nl