HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54

Slagende bewijsklacht bedrieglijke bankbreuk. “Ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers”. HR stelt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104 voorop. Het Hof heeft zijn oordeel mede gegrond op de omstandigheden dat verdachte op de hoogte was van de financiële problemen van de in de bewezenverklaring genoemde stichting en van de tekortkomingen in de administratie van deze stichting, als ook dat verdachte als kandidaat-notaris voldoende (juridisch) geschoold is om te weten of behoren te weten dat door het niet of onvoldoende voeren van de administratie “een aanmerkelijke kans bestond dat bij een faillissement onvoldoende inzage bestond in de rechten en plichten van de stichting”, waardoor de rechten van de schuldeisers konden worden verkort. Het Hof heeft de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan en ’s Hofs overwegingen voorts de mogelijkheid openlaten dat verdachte - indien van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake zou zijn geweest - zich van die aanmerkelijke kans niet bewust is geweest.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken