HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3616
1. Toestemming voor bloedonderzoek, art. 8.2.b. WVW 1994. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AT3993. Hieruit volgt dat art. 359a Sv het toetsingskader vormt voor de gevolgen te verbinden aan het mogelijk onbevoegd vragen van toestemming voor bloedonderzoek aan een persoon die niet wordt verdacht van overtreding van art. 8 WVW 1994. Het Hof heeft dit toetsingskader niet miskend. Het Hof heeft vastgesteld dat zonder dat sprake was van verdenking van overtreding van art. 8 WVW 1994, bij verdachte zonder diens toestemming bloed is afgenomen voor onderzoek. Het Hof heeft echter tevens vastgesteld dat de hulpofficier van justitie door wie toestemming is verleend voor het bloedonderzoek, niet naar willekeur heeft gehandeld omdat bij hem het vermoeden was gerezen dat sprake was van het gebruik van alcohol of een andere stof die de rijvaardigheid kon verminderen, dat verdachte de volgende dag alsnog toestemming heeft gegeven en dat een en ander geen inbreuk heeft gemaakt op verdachtes recht op een eerlijk proces. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat dit, gelet op de aard en de ernst van de verzuimen, tot strafvermindering moet leiden en niet tot bewijsuitsluiting. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 2. Bewijsklacht schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994. Het middel steunt o.m. op de opvatting dat het gebruik van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen in het geheel niet kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994. Deze opvatting is onjuist. Opmerking verdient evenwel dat de vaststelling van uitsluitend dergelijk gebruik - hetwelk blijkens art. 175.3 WVW 1994 zelfstandig tot een aanzienlijke verhoging van het strafmaximum van art. 6 WVW 1994 leidt - doorgaans onvoldoende zal zijn voor het oordeel dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994, zoals dit ook geldt voor de in art. 175.2 WVW 1994 opgenomen bijzondere schuldvorm roekeloosheid. Blijkens de overwegingen van het Hof doet een dergelijk geval zich hier echter niet voor.
De uitspraak op rechtspraak.nl