HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3993
Alleen t.a.v. een persoon die wordt verdacht van overtreding van art. 8 WVW 1994 kan de procedure strekkende tot een onderzoek van diens bloed worden toegepast, welke procedure aanvangt met het vragen van diens toestemming daartoe door een opsporingsambtenaar. Het hof heeft vastgesteld dat jegens verdachte, toen hem toestemming werd gevraagd, geen verdenking bestond en heeft daarvan uitgaande geoordeeld dat het verzoek onbevoegd is gedaan. Dat oordeel is juist. ’s Hofs oordeel dat bedoeld verzuim in dit geval - waarin niet zonder toestemming inbreuk is gemaakt op verdachtes lichamelijke integriteit - niet tot bewijsuitsluiting behoeft te leiden, waarbij het hof verschillende de ernst van het verzuim relativerende factoren in aanmerking heeft genomen (verbalisant heeft niet willekeurig gehandeld en verdenking kon waarschijnlijk eenvoudig onderbouwd worden), is onjuist noch onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl