HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919
Rechtmatige uitoefening van de bediening, art. 22 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar en art. 180 Sr. Gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld heeft het Hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verbalisant, die redelijkerwijs ermee rekening kon en moest houden dat het vervoer van verdachte mogelijk gevaar zou opleveren voor de inzittenden van de politieauto, de beslissing om verdachte t.b.v. het vervoer te boeien in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen nemen. Door op grond hiervan te oordelen dat de politieambtenaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van de bediening, geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dat in art. 180 Sr voorkomende begrip en is zijn oordeel niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient het volgende. De HR herhaalt ECLI:NL:HR:2009:BJ2808 dat bij het antwoord op de vraag of de ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van de bediening heeft als uitgangspunt te gelden dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening a.b.i. art. 180 Sr. Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de noodzaak en proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden betrekken. De enkele omstandigheid dat de Nationale Ombudsman i.h.k.v. zijn aan hem in art. 9:27 Awb opgedragen taak te beoordelen of “het bestuursorgaan zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen”, tot de conclusie is gekomen dat in de bewuste zaak het aanleggen van handboeien niet behoorlijk was noopte het Hof niet zijn - andersoortige - oordeel betreffende de rechtmatigheid van dat gedrag nader te motiveren.
De uitspraak op rechtspraak.nl