HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:724
Aanhouding anti-zwarte-pietdemonstrant tijdens landelijke intocht van Sinterklaas in Gouda in 2014. Wederspannigheid met lichamelijk letsel tot gevolg (art. 180 jo. 181.1 Sr). Recht om te demonstreren, WOM en art. 10 en 11 EVRM. Was opsporingsambtenaar bij aanhouding van verdachte werkzaam 'in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening' a.b.i. art. 180 Sr, nu burgemeester door de door hem aan demonstratie gestelde beperking op ontoelaatbare wijze inbreuk heeft gemaakt op demonstratierecht van verdachte? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:2919 m.b.t. bestanddeel 'ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening'. Opvatting dat, indien door burgemeester gestelde beperking aan recht van demonstratie van verdachte (achteraf gezien) niet toelaatbaar was, dit meebrengt dat i.h.k.v. aanhouding van verdachte verrichte handelingen van opsporingsambtenaar niet zouden zijn verricht in rechtmatige uitoefening van zijn bediening a.b.i. art. 180 Sr, is mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in zijn algemeenheid onjuist. Omstandigheid dat Hof heeft vastgesteld dat verdachte werd aangehouden wegens verdenking van overtreding van art. 11 WOM maakt dit niet anders. Indien sprake was van ontoelaatbare beperking van demonstratierecht, kan dit tot gevolg hebben dat verdachte niet kan worden veroordeeld wegens overtreding van art. 11 WOM, maar kan die enkele omstandigheid nog niet meebrengen dat opsporingsambtenaar t.t.v. aanhouding niet in rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was. Een redelijk vermoeden van schuld a.b.i. art. 27 Sv kan immers ook hebben bestaan indien na aanhouding mocht blijken dat iemand feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet volgens wet strafbaar feit oplevert (vgl. ECLI:NL:HR:1987:AB8324). Bovendien steunt verweer dat opsporingsambtenaar bij aanhouding van verdachte niet in rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was, i.h.b. op stelling dat door burgemeester aangebrachte beperking op demonstratierecht van verdachte in strijd was met art. 10 en 11 EVRM. Hof heeft die beperking toelaatbaar geoordeeld. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat Hof op niet-onbegrijpelijke gronden heeft vastgesteld dat door burgemeester ex art. 5 WOM aangebrachte beperking werd gerechtvaardigd door in art. 2 WOM genoemd belang van voorkomen van wanordelijkheden, dat vrees daarvoor reëel was en dat veiligheid van verschillende demonstranten en van toeschouwers, onder wie kinderen, vergde dat niet op locatie A te Gouda maar op gescheiden plaatsen werd gedemonstreerd. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl