HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442
1. Bewijsklacht. 2. Strafmotivering. 3. Geen beslissing t.a.v. beslag; art. 353.1 Sv. 4. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel. Ad 1. Het Hof heeft in de bewijsmiddelen als verklaring van verdachte o.m. de zinsnede opgenomen dat hij aanvankelijk rustig en daarna stampend van de trap is afgegaan om X af te schrikken. In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof evenwel geoordeeld dat het dat motief voor het stampen van verdachte niet aannemelijk acht. Weliswaar heeft het Hof ten onrechte dat op zichzelf niet redengevende onderdeel van de verklaring van verdachte onder de bewijsmiddelen opgenomen, maar zulks staat hier - gelet op de bewijsvoering als geheel - aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg. De Hoge Raad herhaalt vervolgens nog toepasselijke overwegingen uit HR LJN BA5858. Een en ander heeft uitsluitend betrekking op feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, en dus niet op feiten of omstandigheden en evenmin op verklaringen die de rechter in zijn nadere overweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht. Die behoren dus niet te worden opgenomen onder de bewijsmiddelen. Ad 2. Het Hof heeft in zijn strafmotivering kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de bij verdachte geconstateerde psychische problematiek voor een deel ten grondslag heeft kunnen liggen aan het plegen van het bewezenverklaarde handelen, maar dat die mogelijkheid in het onderhavige geval niet in de weg staat aan de toerekening van dat handelen aan verdachte. Dat met feitelijke waarderingen samenhangende oordeel is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich het vonnis van de Rechtbank inhoudende dat de Rechtbank t.a.v. een aantal voorwerpen op de beslaglijst de bewaring t.b.v. de rechthebbenden gelast en t.a.v. een voorwerp de onttrekking aan het verkeer beveelt. De bestreden uitspraak houdt in strijd met art. 353.1 Sv geen beslissing in ta.v. de inbeslaggenomen voorwerpen. Ad 4. Geen rechtsregel verzet zich er tegen dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij (vgl. HR LJN BN2366). Het Hof heeft verzuimd in zijn arrest op te nemen dat het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel een alternatieve vergoedingsplicht meebrengt, in die zin dat verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van het slachtoffer indien en v.z.v hij heeft voldaan aan één van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade.
De uitspraak op rechtspraak.nl