HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686

Ondernemingsrecht. Toewijsbaarheid van een op onrechtmatige daad gestoelde vordering van de Ontvanger op een derde - de enig bestuurder, in deze functie op basis van een trustovereenkomst - die het verhaal van een (jegens de belastingschuldige onherroepelijke) belastingschuld illusoir zou hebben gemaakt. De verhaalsschade is in beginsel niet toerekenbaar voor zover zij het door de Ontvanger werkelijk geleden nadeel te boven gaat. Uit de aard van de aansprakelijkheid vloeit voort dat zij van de vennootschap niet meer te vorderen heeft dan het naar objectieve maatstaven te berekenen bedrag van de materiële belastingschuld. Hieraan staat HR 30 juni 2004, NJ 2004/197 niet in de weg. De omvang van de door de aangesproken derde te vergoeden schade wordt niet zonder meer bepaald door de aanslag waarvan hij niet langs bestuursrechtelijke weg de rechtmatigheid heeft kunnen doen vaststellen (vgl. HR 3 februari 2006, NJ 2006/325). Dat de aansprakelijk gestelde de onderliggende aanslagen moet hebben kunnen betwisten, geldt ook indien de Ontvanger de derde aanspreekt vanwege onrechtmatige frustratie van de invordering van de belastingschuld. Bij een beroep op matiging gaat het niet om de aansprakelijkheid maar om de hoogte van de schadevergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen