Conclusie A-G IJzerman 19 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2680
Belanghebbende was van 1 september 1993 tot en met 16 november 2001 bestuurder van de beursgenoteerde [A] N.V. Deze is op 17 december 2001 failliet verklaard. Naast zijn salaris ontving belanghebbende optierechten op aandelen [A]. In de periode van 1 september 1993 tot en met 31 december 1994 heeft [A] het overeengekomen bruto jaarsalaris niet uitbetaald. Daardoor is een loonvordering van belanghebbende op [A] ontstaan van $ 1.000.000. [A] kon zich de uitbetaling niet veroorloven en belanghebbende heeft dat jarenlang zo gelaten. Pas op 9 februari 2001 heeft de Raad van Commissarissen van [A] die loonvordering erkend en deze rentedragend verklaard; met bepaling dat het bedrag in vier termijnen zal worden betaald. Aan [A] zijn in 2000 en 2001 diverse naheffingsaanslagen loonheffing opgelegd over de periode 1995 tot en met 2001. Ter zake van ingevolge het optieplan aan werknemers van [A], waaronder belanghebbende, verleende aandelenopties was namelijk door [A] geen, althans te weinig, loonheffing ingehouden en afgedragen. De Ontvanger heeft belanghebbende op grond van artikel 38 Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor de door de [A] van belanghebbende ten onrechte niet ingehouden loonbelasting. Belanghebbende stelt dat de niet van hem ingehouden en bij zijn voormalige werkgever [A] nageheven loonbelasting ad € 164.309 door [A] op hem is verhaald door middel van verrekening met zijn achterstallige loonvordering op [A] van $ 1.000.000. Belanghebbende beroept zich op verrekening van rechtswege in zijn gestelde rekening-courant verhouding met [A]. Aldus zou wel inhouding hebben plaatsgevonden, zodat de aansprakelijkstelling moet worden vernietigd. De A-G merkt op dat door het middel van belanghebbende civielrechtelijke vragen, van verrekening, worden opgeroepen. Het Hof is kennelijk van oordeel dat een dergelijke civielrechtelijke vraag in de procedure bij de belastingrechter in het kader van de aansprakelijkstelling niet aan de orde kan komen. De A-G meent echter dat de vraag naar een eventuele verrekening een relevante fiscale vraag is die zal moeten worden beantwoord in deze aansprakelijkstelling procedure. Het is namelijk naar zijn mening juridisch mogelijk dat een dergelijke verrekening zich onder omstandigheden kan voordoen. Indien er sprake is van inhouding, eventueel door middel van verrekening, op het loon van een werknemer, kan deze niet aansprakelijk worden gesteld op grond van artikel 38 Invorderingswet, wat er (in beginsel) ook zij van afdracht door de werkgever. Echter, die omstandigheden moeten er in casu dan wel zijn geweest. In dat opzicht ziet de A-G haken en ogen. Het middel van belanghebbende slaagt. Volgens de A-G zal verwijzing moeten plaatsvinden voor nader onderzoek naar de omstandigheden ten aanzien van een eventuele verrekening als voornoemd. De Staatssecretaris keert zich in cassatie tegen het oordeel van het Hof dat in de aansprakelijkstellingen interne compensatie niet is toegestaan. De naheffingsaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld zijn onherroepelijk komen vast te staan, nadat [A] terzake van de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen, na bezwaar, geen beroep heeft ingesteld. Volgens het Hof zijn de elementen van de materiële belastingschuld hiermee definitief geformaliseerd. Dat betekent volgens het Hof ook dat de aansprakelijkstelling zich niet daarbuiten kan uitstrekken. Aldus zou interne compensatie van de kant van de Ontvanger, gebaseerd op na oplegging van de naheffingsaanslagen gebleken meerdere optieverleningen, ter compensatie van belanghebbendes gehonoreerde bezwaar tegen de hoogte van de aansprakelijkstellingen, ontoelaatbaar zijn. De A-G meent dat het middel van de Staatssecretaris slaagt. Na per 1 december 2002 in werking getreden wetswijzigingen kan een aansprakelijk gestelde belanghebbende binnen de aansprakelijkheidsprocedure bij de belastingrechter zowel zijn aansprakelijkheid als de hoogte van de onderliggende belastingaanslagen betwisten. In het laatstgenoemde kader beschikt een belanghebbende over dezelfde rechtsmiddelen en in principe, zo nodig gevoed door de ontvanger, over dezelfde informatie als de belastingschuldige, om te kunnen komen tot adequate fiscale rechtsbescherming. Juist dit laatste is voor de A-G reden om interne compensatie ook toelaatbaar te achten in de inmiddels geconcentreerde huidige procedure van aansprakelijkstelling. Enige vorm van compensatie wordt ook elders in het recht veelal toelaatbaar geacht mits er sprake is van een goede procesorde en uiteraard met in achtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het komt de A-G voor dat in casu aan een en ander is voldaan. De conclusie strekt ertoe dat zowel het beroep in cassatie van belanghebbende als dat van de Staatssecretaris van Financiën gegrond is.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 24 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 48 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 134 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 149 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 176 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 79 RO
- Artikel 312 Sv
- Artikel 5 AWR
- Artikel 65 AWR
- Artikel 13a LB
- Artikel 27 LB
- Artikel 3 IW
- Artikel 24 IW
- Artikel 38 IW
- Artikel 49 IW
- Artikel 50 IW
- Artikel 6:121 BW6
- Artikel 6:122 BW6
- Artikel 6:127 BW6
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 23 juli 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3268
- HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686
- Hof 's-Hertogenbosch 22 augustus 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF9936
- HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT4493
- HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD9713
- HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9716
- Conclusie A-G Wattel 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9716
- HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4804
- HR 20 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8317
- HR 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9782
- HR, ECLI:NL:HR:1983:AW9796