HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689
Art. 408 Sv. Klacht over niet-ontvankelijkheid hb. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat verdachte na de dag van de ttz. in e.a. heeft kennisgenomen van de inleidende dagvaarding. Het Hof heeft waar het overweegt dat verdachte binnen veertien dagen nadat hij kennis had genomen van die dagvaarding, hb had dienen in te stellen, die kennisneming kennelijk aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak verdachte bekend is a.b.i. art. 408.2 Sv. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij nog opmerking verdient dat de door het Hof in het verband van dat oordeel gestelde eis dat verdachte na de kennisneming van die dagvaarding ‘had moeten informeren naar de einduitspraak’, geen steun vindt in het recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl