Conclusie A-G Knigge 6 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:827

N-o verklaring in h.b. Uitleg van de in art. 408.1.c. Sv neergelegde eis dat de verdachte “tevoren bekend was met de dag van de (nadere) terechtzitting”. Slagende motiveringsklacht. In het licht van de wetsgeschiedenis brengt een redelijke wetsuitleg mee dat art. 408.1.c. Sv inhoudt dat indien zich een omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat de dag van de (nadere) tz. de verdachte voorafgaand aan (de aanvang van) die (nadere) tz. bekend was, de beroepstermijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt. Het Hof heeft weliswaar overwogen dat de verdachte – naar eigen zeggen – op de dag van de tz. van de Pr heeft kennisgenomen van de rechtsdag, maar heeft niet vastgesteld dat die kennisname plaatsvond voorafgaand aan (de aanvang van) die tz. en evenmin dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken