HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3964
1. Afwijzing getuigenverzoeken. Maatstaf. 2. Procedure na terugwijzing. Ad 1. Een ttz. gedaan verzoek tot het horen van een getuige kan slechts worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 288.1.b en c Sv. Het Hof heeft door te overwegen dat het verzoek tot het horen van de meegebrachte getuige X wordt afgewezen nu "daartoe de noodzaak niet bestaat" de verkeerde maatstaf aangelegd (vgl. HR LJN BC6743). ’s Hofs kennelijk oordeel dat de brief van de raadsvrouwe van 12-3-2007 (o.m. inhoudend dat werd afgezien van het horen van getuige Y) wat betreft de getuige Y meebracht dat die getuige niet meer kon gelden als een bij appelschriftuur opgegeven getuige en dat de omstandigheid dat de raadsvrouwe eerst ttz. van 23-3-2007 heeft meegedeeld dat in die brief abusievelijk van de getuige Y is afgezien, daarin geen verandering brengt, is onjuist noch onbegrijpelijk. Gelet daarop heeft het Hof bij de afwijzing van die getuige de juiste maatstaf aangelegd. Het verzoek tot het horen van getuige Z heeft het Hof afgewezen "nu dit verzoek onvoldoende is gemotiveerd". Nu het Hof niet heeft aangegeven a.d.h.v. welke maatstaf het verzoek is afgewezen, is de afwijzing van het verzoek ontoereikend gemotiveerd (vgl. HR LJN BC5977). Ad 2. De HR vindt aanleiding om de door de waarnemend AG opgeworpen vraag te bespreken hoe na verwijzing of terugwijzing van een zaak moet worden geoordeeld over de bij de oorspronkelijke appelschriftuur a.b.i. art. 410 Sv door de verdachte gedane opgave van getuigen en deskundigen. De wet behelst in dit opzicht geen nadere voorziening, terwijl niet blijkt dat genoemde vraag bij de totstandkoming van het huidige art. 410 Sv door de wetgever onder ogen is gezien. Op grond van o.a. eerdere jurisprudentie, wetteksten en wetgeschiedenis neemt de HR aan dat art. 410.3 Sv en de daarmee samenhangende bepalingen, te weten art. 414.2, 2e volzin, en art. 418.3 Sv in de procedure na verwijzing of terugwijzing van de zaak door de HR niet van toepassing zijn. Dat betekent dat na verwijzing of terugwijzing wat betreft de opgave door de verdediging van getuigen en deskundigen art. 263.2 t/m 5, en art. 264 Sv onverkort gelden. Wel moet na verwijzing of terugwijzing, ook in het geval van een door verdachte ingesteld h.b., de toepasselijkheid worden aangenomen van art. 418.2 Sv. Dat betekent dat ook dan, ingeval de berechting in 1e aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping van een door de verdediging o.b.v. art. 414 jo. art. 263 Sv opgegeven getuige of deskundige die ttz. in 1e aanleg, dan wel door de R-C is gehoord, door het hof kan worden geweigerd o.g.v. het noodzaakcriterium. Daarmee strookt aan te nemen dat de A-G bij het hof waarnaar de zaak is verwezen of teruggewezen oproeping van een zodanige getuige of deskundige eveneens aan de hand van die maatstaf kan weigeren.
De uitspraak op rechtspraak.nl