HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3369

Art. 126aa jo. 218 Sv. Verschoningsrecht. Tapverbalen van gesprekken met advocaat. 1. Art. 126aa Sv en zeer uitzonderlijke omstandigheden. 2. Bevoegdheid zittingsrechter t.a.v. machtiging r-c tot ex art. 126aa Sv toevoeging van pv’s aan dossier. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BA5632 en HR LJN BH2678. Ad 1. Is bij de toepassing van art. 126aa Sv plaats voor zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht? Indien de geheimhouder ttv. het opnemen en afluisteren van de telefoongesprekken zelf geen verdachte is, is in art. 126aa Sv noch in enige andere bepaling voorzien in de mogelijkheid voor de ovj om, al dan niet na machtiging van de r-c, onder omstandigheden mededelingen die onder het verschoningsrecht vallen niettemin aan het dossier toe te voegen op de grond dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht. I.c. waarin de advocaat zelf geen verdachte is, staat het de ovj en de r-c bij de toepassing van art. 126aa Sv niet vrij het belang van het verschoningrecht af te wegen tegen het belang van de waarheidsvinding in de zaak waarin is afgeluisterd en mededelingen die weliswaar onder het verschoningsrecht vallen aan het dossier toe te voegen op de grond dat het belang van het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Ad 2. De wet voorziet niet in een (raadkamer)procedure waarin de beslissing van de r-c tot het verstrekken van een zodanige machtiging kan worden getoetst. Verder kent de wet geen bepaling die de zittingsrechter bevoegd verklaart om bewijsmateriaal dat naar zijn oordeel onrechtmatig is verkregen alsnog uit het dossier te doen verwijderen. Wel zal de zittingsrechter, indien hij op die pv’s acht wil slaan i.v.m. enige te nemen beslissing, ten volle moeten toetsen of de in die pv’s vervatte mededelingen onder het verschoningsrecht vallen. Bij bevestigende beantwoording zal hij die mededelingen niet aan enige beslissing ten grondslag mogen leggen. Hij zal in een geval als i.c. waarin het niet gaat om een onderzoek tegen een geheimhouder die zelf verdachte is, die gegevens niet mogen gebruiken op de grond dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven dat van het verschoningsrecht. I.c: Nu de desbetreffende pv’s met machtiging van de r-c aan het dossier waren toegevoegd, had de Rb niet mogen bevelen dat zij alsnog uit het dossier moesten worden verwijderd. Het Hof heeft dus terecht geoordeeld dat die pv’s aan het dossier toegevoegd dienden te blijven, wat er zij van de gronden waarop het Hof dat oordeel heeft doen steunen. De inhoud van die pv’s betreft onmiskenbaar gesprekken tussen de toenmalige raadsman van verdachte, in zijn hoedanigheid van advocaat, en familieleden van verdachte omtrent de onderhavige zaak. Het betreft daarom mededelingen die onder het verschoningsrecht van de advocaat vallen. Vzv. moet worden aangenomen dat het Hof van het tegendeel is uitgegaan op de grond "dat het geen gesprekken betreft tussen de verdachte en diens raadsman" heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft zich voorts ten onrechte begeven in de toetsing van de beslissing van de r-c tot het verstrekken van een machtiging. Voorts heeft het Hof miskend dat het hem i.c. bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende tapverbalen in het strafproces konden worden gebruikt, niet vrijstond het belang van het verschoningsrecht af te wegen tegen dat van de waarheidsvinding. Uiteindelijk is het Hof in zijn eindarrest tot het oordeel gekomen dat het de desbetreffende tapgesprekken niet voor het bewijs zal bezigen. Dat oordeel is op zichzelf in overeenstemming met hetgeen hiervoor omtrent de inhoud van die gesprekken en het (verbod tot het) gebruik daarvan is overwogen. Niettemin heeft het Hof, daarmee in strijd, de inhoud van die tapgesprekken betrokken bij zijn bewijsoverwegingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen