HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3677

1. Bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen zou niet blijken dat verdachte houder van auto is. 2. Strafuitsluitingsgrond ex. art. 181, 2 (oud) WVW 1994. Ad 1. HR: Klaarblijkelijk heeft het Hof, in het bijzonder o.g.v. het geschrift dat het Hof als bewijsmiddel geeft gebezigd waaruit blijkt dat verdachte heeft getekend als berijder van de desbetreffende auto, geoordeeld dat verdachte moet worden aangemerkt als degene die de auto, waarmee de geconstateerde snelheidsovertreding is begaan, tot duurzaam gebruik onder zich heeft en dus heeft te gelden als houder i.d.z.v. de WVW 1994. Oordeel Hof geeft geen blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad. 2. HR: Verwijzing naar NJ 2000, 24. Het Hof heeft geoordeeld dat het door verdachte ttz. in hb overlegde geschrift waarin zijn broer verklaart dat hij ten tijde van de overtreding de auto heeft bestuurd, verdachte niet kan baten omdat verdachte tot op de dag voor de ttz. in EA schriftelijk aan het OM de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend kon maken dan wel uiterlijk op terechtzitting in EA dadelijk na de ondervraging, bedoeld in art. 273. 1 Sv, en dat niet heeft gedaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen