HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7750

Poster “Reisbureau Rita”. Ovar o.g.v. art. 10 EVRM. Het Hof heeft geoordeeld dat strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde feit als overtreding van art. 261.2 Sr in strijd komt met het in art. 10.1 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en heeft art. 261.2 Sr daarom o.g.v. art. 94 Gw. buiten toepassing gelaten, het feit niet strafbaar geacht en verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Een beperking van het recht van vrije meningsuiting kan ex art. 10.2 EVRM gerechtvaardigd zijn vzv. die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, d.w.z. dat voor die beperking een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) bestaat. Of hiervan sprake is dient te worden beoordeeld a.d.h.v. de omstandigheden van het geval. In een geval als i.c. komt het daarbij aan op aan de feitenrechter voorbehouden oordelen omtrent de inhoud, aard en strekking van het desbetreffende geschrift. De motiveringsklachten i.c. die zijn gericht tegen de door het Hof vastgestelde aard en strekking van de poster en het daarop gegronde oordeel dat i.c. niet van een “pressing social need” a.b.i. art. 10.2 EVRM kan worden gesproken, berusten allen op de stelling dat de in die poster vervatte woorden “arrestatie-deportatie-crematie” voor “nagenoeg iedere lezer het beeld oproepen dat onder verantwoordelijkheid van Rita Verdonk als Minister van Vreemdelingenzaken vreemdelingen bewust worden gedeporteerd en vervolgens gecremeerd” en dat de desbetreffende woorden in combinatie met het gebezigde woord “reisbureau” een sterke associatie oproepen met de arrestatie, deportatie en crematie van de joden in WOII. Het Hof heeft evenwel gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het aan die bewoordingen een zo vergaande strekking niet heeft toegekend. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen