HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7232

Veroordeling medewerker AIVD wegens het prijsgeven van staatsgeheime informatie aan personen die tot kennisneming van die informatie niet gerechtigd waren. 1. Geheimhoudingsplicht, Wet op de inlichtingen – en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002). 2. Voeging stukken. 3. Inlichtingen a.b.i. art. 98.1 en 2 Sr. Ad 1. I.c. is aan verdachte o.g.v. art. 86.1 WIV 2002 ontheffing verleend van zijn geheimhoudingsplicht ex art. 85 WIV 2002. De daaraan verbonden voorwaarden strekten er onmiskenbaar toe dat verdachte bepaalde gegevens in het strafproces i.c. niet zou openbaren. De wet kent geen uitzondering op de geheimhoudingsplicht als de betreffende ambtenaar verdachte is. Indien evenwel de rechter t.t.z., al dan niet n.a.v. een verzoek/verweer van de verdediging, van oordeel is dat het verdedigingsbelang vergt dat de onder de geheimhoudingsplicht vallende gegevens door verdachte worden geopenbaard, zal de rechter de hier conflicterende belangen dienen af te wegen. Richtsnoer daarbij is of ingeval die gegevens niet alsnog kunnen worden geopenbaard, nog sprake kan zijn van een fair proces a.b.i. art. 6 EVRM. Vzv. het Hof een andere processueel kader dan door de HR aangegeven, voor ogen heeft gestaan, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat leidt niet tot cassatie nu i.c. het debat zich toegespitst heeft op de door de verdediging noodzakelijk geachte verstrekking van de personalia van AIVD-medewerkers en dienaangaande aan verdachte geen ontheffing van zijn geheimhoudingsplicht was verleend. ‘s Hofs oordeel dat het door de verdediging beoogde doel ook kon worden bereikt door aanduiding van die medewerkers met codenummer is onjuist, noch onbegrijpelijk. Met de in art. 269 Sv voorziene behandeling van de zaak met gesloten deuren kan in een geval als i.c. niet worden bereikt dat die geheimhoudingsplicht wordt doorbroken en verdachte kan verklaren zonder gebonden te zijn aan de aan de ontheffing van die plicht verbonden voorwaarden. Ad 2. Ervan uitgaande dat de AIVD in deze zaak niet “als opsporingsinstantie” is opgetreden, heeft het Hof geoordeeld dat er geen grond bestond om de op dat onderzoek betrekking hebbende stukken aan het dossier toe te voegen. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de betrouwbaarheid van de door de AIVD bij de aangifte aangeleverde documenten en informatie te toetsen. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest daaromtrent getuigen (medewerkers van de AIVD) te horen. O.g.v. e.e.a. is het Hof tot de slotsom gekomen dat de verdediging in dit opzicht niet is tekortgedaan. Die oordelen zijn onjuist, noch onbegrijpelijk. ’s Hofs uiteindelijke oordeel dat de verdediging, mede gelet op hetgeen door haar met de ondervraging van die getuigen is beoogd, niet zodanig is belemmerd in haar verdedigingsrechten dat niet meer van een eerlijk proces kan worden gesproken, is onjuist, noch onbegrijpelijk. Ad 3. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat “i.h.k.v. de wettelijke taak van de AIVD t.a.v. terrorismebestrijding, het belang van de Staat meebrengt dat het actuele kennisniveau, de (menselijke) bronnen en de operationele werkwijzen van de AIVD geheim worden gehouden en dat die informatie tot de veiligheid van de Staat in betrekking staat”. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat het zich a.d.h.v. andere stukken, de toelichtingen van de AIVD daarbij en de verificatie van het standpunt van de AIVD door de OvJ terrorismebestrijding, in onderlinge samenhang bezien, voldoende in staat achtte om de aard en het karakter van de teksten te beoordelen. Aldus is het Hof tot het oordeel gekomen dat de informatie op de documenten inlichtingen betreft waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat wordt geboden en die tot de veiligheid van de Staat in betrekking staan, a.b.i. art. 98 Sr. E.e.a. is onjuist, noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen