Conclusie A-G Vegter 29 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BU6207
Veroordeling medewerker BVD (thans: AIVD) wegens het onder zich nemen of houden van staatsgeheime documenten. Fair proces als bedoeld in art. 6 EVRM; geheimhoudingsplicht, Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002). De HR stelt voorop dat art. 86 WIV 2002 voorziet in een ontheffing van de geheimhoudingsplicht die is neergelegd in art. 85 (oud) WIV 2002. De wet kent geen uitzondering op de geheimhoudingsplicht als de betreffende ambtenaar verdachte is. Indien evenwel de rechter ter terechtzitting, al dan niet n.a.v. een verzoek/verweer van de verdediging, van oordeel is dat het verdedigingsbelang vergt dat de onder de geheimhoudingsplicht vallende gegevens door de verdachte worden geopenbaard, zal de rechter de hier conflicterende belangen dienen af te wegen. Richtsnoer daarbij is of ingeval die gegevens niet alsnog kunnen worden geopenbaard, nog sprake kan zijn van een fair proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Indien de rechter tot het oordeel komt dat kennisneming van de geheime gegevens vanuit een oogpunt van die verdragswaarborg noodzakelijk is en de handicap die de verdediging hierdoor ondervindt niet in voldoende mate wordt gecompenseerd door de gevolgde procedure, zal hij zich ervan dienen te vergewissen of de geheimhoudingsplicht ten aanzien van die gegevens onverkort wordt gehandhaafd. In dat geval moet daaraan de gevolgtrekking worden verbonden dat geen sprake kan zijn van een eerlijk proces en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard (vgl. HR LJN BG7232). Het Hof heeft voornoemd toetsingskader niet miskend en ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Voor zover het middel klaagt dat het Hof de verdachte geen compensatie heeft geboden voor de uit de geheimhoudingsverplichtingen van de AIVD voortvloeiende beperkingen die de verdediging heeft ondervonden, berust het op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Voorts ziet het eraan voorbij dat het Hof de mogelijke beperkingen die de verdediging heeft ondervonden onder ogen heeft gezien waarbij het uiteindelijk tot een - niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende en niet onbegrijpelijk oordeel - is gekomen dat van zodanige beperkingen geen sprake is geweest.
De uitspraak op rechtspraak.nl