HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9412
Bewijs opzettelijk medeplegen. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander (A B.V.) opzettelijk in strijd met een viertal voorschriften van een aan zijn medepleger verleende vergunning heeft gedragen. Daaruit volgt dat i.c. ook het opzet van verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm op het overtreden van die vergunningsvoorschriften gericht moet zijn geweest. Dat opzet kan echter niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, terwijl de door het Hof in de nadere bewijsoverweging genoemde omstandigheid dat verdachte “zich had moeten vergewissen dat haar handelen bleef binnen hetgeen A B.V. overeenkomstig de vergunning, met bijbehorende voorschriften, was vergund” het oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, evenmin kan dragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl