HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794

Noodweer-exces. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AW3569 en HR LJN BC4459. 1. Huisrecht. 2. Door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Ad 1. Vzv. in het 1e middel wordt geklaagd over ’s Hofs oordeel dat onder 'goed' a.b.i. art. 41 Sr het huisrecht niet kan worden begrepen, faalt het, omdat dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR NJ 1998, 662). Ad 2. Blijkens ’s Hofs overwegingen heeft het Hof onderzocht of t.t.v. de confrontatie onderaan de trap (de 2e fase) sprake was van een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft daarbij niet miskend dat aan een geslaagd beroep op noodweerexces niet in de weg behoeft te staan dat ook andere factoren dan de wederrechtelijke aanranding hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft echter niet aannemelijk geacht dat het handelen van verdachte in de 2e fase het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanige hevige angst of woede, veroorzaakt door de eerdere aanranding, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging a.b.i. art. 41.2 Sr. Het Hof heeft een zekere rationaliteit en doelgerichtheid - waarmee het Hof kennelijk het oog erop had dat verdachte met een bepaalde mate van berekening het slachtoffer (definitief) wilde uitschakelen – en dus niet een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging doorslaggevend geacht in het handelen van verdachte. Het Hof is mede o.g.v. door verdachte afgelegde verklaringen tot dat oordeel gekomen. Het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel van het Hof is, gelet op de door het Hof vastgestelde feiten, niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen