HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3785
Art. 6 EVRM, ‘impartial tribunal’. De bestreden uitspraak is mede gewezen door een raadsheer die bij de behandeling van de zaak van de mededader door de Rb als OvJ is opgetreden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter i.d.z.v. art. 6.1 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Een algemene regel aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als voormeld, valt niet te geven. Wel wijst de HR op EHRM 15-12-05 (Kyprianou tegen Cyprus). De betrokkenheid van de raadsheer als OvJ bij de strafzaak van de mededader levert een uitzonderlijke omstandigheid op als hiervoor bedoeld. De klacht dat i.c. niet is voldaan aan het vereiste van berechting door een onpartijdig gerecht i.d.z.v. art. 6.1 EVRM is dus gegrond. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl