HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3095

Relatieve bevoegdheid rechter. Art. 6 Sv. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat twee medeverdachten als daders t.z.v. hetzelfde strafbare feit a.b.i. art. 6.1 Sv zijn gedagvaard voor de Rb Haarlem. Hier doet zich dus niet het geval voor dat een van deze daders voor een andere bevoegde Rb is gedagvaard. Verdachte is t.z.v. datzelfde feit eveneens vervolgd voor de Rb Haarlem doordat te zijnen aanzien een dagvaarding is uitgegaan, waardoor zijn strafzaak bij die Rb aanhangig is en hij gelijktijdig met zijn medeverdachten wordt vervolgd voor dezelfde Rb. De omstandigheid dat de vervolging t.a.v. verdachte eerder zou zijn aangevangen bij de Rb ’s-Hertogenbosch door indiening door de OvJ van een vordering tot bewaring bij de RC in die Rb m.b.t. het feit waarvoor verdachte nadien is gedagvaard, heeft niet tot gevolg dat de Rb Haarlem te zijnen aanzien niet als bevoegd gerecht zou kunnen worden aangemerkt. Een redelijke uitleg van art. 6.2 Sv brengt immers mee dat in een geval als i.c., waarin verdachte als deelnemer aan hetzelfde strafbare feit door zijn dagvaarding terzake gelijktijdig met zijn medeverdachten wordt vervolgd voor dezelfde bevoegde Rb en geen van de andere deelnemers m.b.t. dit feit elders is gedagvaard, aan de bevoegdheid van dat gerecht niet in de weg staat dat verdachte eerder voor een ander gerecht zou zijn vervolgd door de bedoelde indiening van de vordering bewaring. Het oordeel van het Hof, dat de PR in de Rb Haarlem - en dus ook het Hof - bevoegd is van het aan verdachte tenlastegelegde kennis te nemen, is dus juist, wat er zij van de daartoe gegeven motivering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen