HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8286
1. In de bewezenverklaring onder 1 t/m 4 heeft het hof geoordeeld dat verdachte als pleger moet worden aangemerkt van het namens de in de bewezenverklaring genoemde vennootschappen onjuist en onvolledig doen van de aangiften omzetbelasting. Vzv. in dat oordeel moet worden geacht besloten te liggen dat verdachte naast de vennootschappen tot het doen van die aangiften gehouden was, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien - naar voortvloeit uit art. 68 (oud).1a en 2 jo. art. 8.1 AWR - de wettelijke aangifteplicht op de vennootschap rust waaraan het aangiftebiljet is uitgereikt en niet ook op degene die namens de vennootschap de aangifte feitelijk heeft gedaan. Vzv. het hof evenwel heeft bedoeld te oordelen dat de aangifteplicht i.c. wel op verdachte rust omdat deze met de vennootschappen moet worden vereenzelvigd, is – gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen – dat oordeel, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk. 2. De tenlasteleggingen op grond waarvan de bewezenverklaringen onder 5 t/m 7 zijn uitgesproken kunnen gelet op hun bewoordingen en tegen de achtergrond van art. 171 (oud) Wet inzake de douane - die zich tot een ieder richt - bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat aan verdachte wordt verweten dat hij de feiten heeft doen plegen. Dat brengt niet alleen mee dat de door het hof aan die feiten gegeven kwalificatie onjuist is, maar ook dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd nu het hof omtrent de straffeloosheid van de desbetreffende douane-expediteurs niets heeft vastgesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl