Hof 's-Hertogenbosch 1 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2341

Belastingfraude. Art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen. (Zaak A:) Aan verdachte is primair ten laste gelegd het (mede)plegen van het opzettelijk (door tussenkomst van een door E gemachtigd(e) administratiekantoor/administrateur) onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de loonheffing ten name van E, handelend onder de naam Y. Verdachte kan slechts als pleger van het ten name van E, de broer van verdachte, onjuist doen van de aangiften loonheffing worden aangemerkt, indien verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was, dat wil zeggen de kwaliteit van aangifteplichtige heeft. Verdachte was alleen tot het doen van aangifte gehouden, indien hij (zelf) was uitgenodigd tot het doen van aangifte. Nu niet is gebleken dat verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangifte, kan hij niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangifte. Het hof spreekt voorts vrij van medeplegen en doen plegen van art. 69 AWR. (Zaak B:) Het hof acht bewezen dat verdachte opzettelijk door tussenkomst van het/de door hem gemachtigde administratiekantoor/administrateur de aangiften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen onjuist heeft gedaan, aangezien hij opzettelijk door hemzelf valselijk opgemaakte loonbescheiden heeft aangeleverd aan de door hem gemachtigde, wetende dat die gemachtigde – zonder controle van de aangeleverde uren, tot welke controle de gemachtigde geen opdracht had – op basis van die loonbescheiden de aangifte voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen zou verzorgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken