HR 23 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7141

Cassatie in belang der wet. Art. 6 EVRM is niet van toepassing op de in art. 26a WAHV voorziene rechtsgang in hoger beroep na verzet tegen maatregelen strekkende tot verhaal van de administratieve sanctie. In de WAHV noch in de WTBZ is in een geval als i.c. aan het hof de bevoegdheid toegekend het wettelijk griffierecht te matigen en/of in debet te stellen en evenmin om de verschuldigde zekerheid te verminderen. Het middel stelt de vraag aan de orde of onder omstandigheden een verplichting tot zodanige matiging van het griffierecht en/of van de zekerheidstelling voortvloeit uit art. 6.1 EVRM, zoals het hof heeft geoordeeld. Voor het antwoord op die vraag is beslissend of art. 6.1 EVRM op de onderhavige procedure van toepassing is. Uit art. 26.3 WAHV volgt dat de verzetprocedure die hier aan de orde is slechts het onderzoek naar de rechtmatigheid van de inning d.m.v. verhaal betreft, zonder dat de rechtmatigheid van de sanctie zelf nog voorwerp van onderzoek kan zijn en zonder dat aan de betrokkene verdere lasten kunnen worden opgelegd. In deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de verzetprocedure het vaststellen van een “criminal charge” betreft. Evenmin is sprake van de “determination of civil obligations” omdat aan de rechter die in de verzetprocedure beslist niet de bevoegdheid toekomt geldelijke verplichtingen van de betrokkene vast te stellen. Dat betekent dat art. 6 EVRM op de verzetprocedure niet van toepassing is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen